Mijn familie

Gerarda Francisca van der Meer

free html5 templates
Ik ben geboren op 26 november 1910, mijn doopnamen zijn Gerarda Francisca Maria. Ik heb een vijf jaar oudere broer Juul (Julius) en we wonen in Watergraafsmeer, Schoollaan. Dit gebied is later geannexeerd door de gemeente Amsterdam. Mijn vaders naam was Rein van der Meer en hij was getrouwd met Johanna Heus. Naast Juul waren er nog drie broers, Steef (Stephanus), in 1913 geboren, Willy, in 1916 geboren en Frans, in 1922 geboren.

Mijn ouders ontmoeten elkaar op de bruiloft van zijn zus Afke en haar broer Jan. Ze hadden beide alleen de lager school gedaan maar desondanks fervente lezers. Mijn vader had een baan bij de Gasfabriek in Amsterdam. Hij was daarnaast, zolang als ik mij kan herinneren, voorzitter van de Katholieke Arbeidersbeweging. (KVV) Als het hem ter ore kwam dan sprong hij op de bres voor gezinnen uit de buurt die het slecht hadden. Mijn moeder was langere tijd actief in kerkelijke kringen en was voorzitster van de Katholieke Vrouwen Beweging.

Ik kan mij niet veel herinneren van de eerste vier of vijf jaar van mijn leven. In 1914, brak de Eerste Wereldoorlog uit. In 1915 of 1916 verhuisden we van Watergraafsmeer naar Duivendrecht. Mijn vader huurde daar een stuk grond om aardappelen en groenten te verbouwen We verhuisden naar een veel groter huis. De jongste twee, Willy en Frans zijn daar geboren.

Mijn broer Julius ging regelmatig naar de bibliotheek, zodra ik naar school ging las ik zijn boeken. Op deze manier leerde ik Charles Dickens, Sherlock Holmes enz. kennen. (De Nederlandstalige uitvoeringen).
 
Gedurende de Eerste Wereldoorlog was het eten schaars en slecht van kwaliteit. Men kon toen het voedsel nog niet zo goed bewaren als nu (koelkasten waren er nog niet). De groenten uit de tuin waren toen handig en vers. Gedurende de oorlog bleef ik klein en fragiel, de huisarts schreef extra voedselbonnen voor, voor wit brood, boter en melk. Ik kan mij herinneren dat ik deze extra's op at met mijn broers om mij heen verzameld in de hoop dat er iets over zou blijven voor hen.

Het nieuwe, grote, huis was maar tijdelijk. Na de oorlog kochten we een eigen huis. In dit huis in Duivendrecht trokken we in samen met mijn grootouders, een oud-oom, Kees, en een zuster van mijn moeder, Gerarda. Mijn grootvader, Stephanus Heus, had een eigen zaak in Ouderkerk aan de Amstel. Hij produceerde, verkocht en vervoerde turf. In die dagen werd turf gebruikt om te verwarmen en te koken. Toen hij met pensioen ging nam een schoonzoon het bedrijf over.

Oom Jan, getrouw met Pia Heus. Opa en Oma verhuisden toen van Ouderkerk aan de Amstel naar Ilpendam. En daarna trokken ze bij ons in. Oom Kees was bedlegerig, had iets aan zijn longen. Hij kuchte en hoestte altijd. Tante Grada overleed aan het eind van de Eerste Wereldoorlog aan de Spaanse Griep, zoals velen in die tijd. Ze overleden uiteindelijk allemaal aan het einde van de oorlog en werden begraven in Ouderkerk aan de Amstel.
 
Het nieuwe huis lag tegenover de Sint Urbanus kerk.  Ik deed daar mijn eerste communie en als er een trouwerij was dan liep ik mee met de bruiden en bruidsmeisjes. Een vriendin van mijn moeder hielp me dan met opmaken en krullen van het haar met de krultang. Ze had zelf geen kinderen, was eenzaam want haar man was een zeeman en was altijd lang van huis. 

Al snel ging ik naar school en toen Steef (Stephanus) in 1918 naar school ging moest ik als oudere zuster er voor zorgen dat hij veilig van en naar school kwam. Enkele jaren na de oorlog verhuisden we uiteindelijk van het grote huis naar ons eigen huis. Het was een hoekhuis van een rij. Het lag aan een drukke doorgaande weg van Amsterdam naar Utrecht. Op dat moment, het begin van de jaren '20, was er nog geen stromend water in huis, de leidingen lager er al wel maar waren nog niet aangesloten. Het regenwater werd opgevangen in een grote container. Al snel kwam er stromend water en even later ook elektriciteit en gas.

Mijn ouders wilden dat ik de eerste steen van dat huis legde. Op een vierkant stuk cement stonden de namen en het bouwjaar. Toen ik in 1973 Nederland bezocht hebben we de steen opgezocht en gefotografeerd. De foto zit in het familiealbum.
 

Rein van der Meer met auto

Afke Heus van der Meer

Het huis had drie slaapkamers en een zolder. Als enige meisje kreeg ik een eigen kamer. De jongens moesten de andere slaapkamer delen. De tuin was groot met bloemen. Er werden verschillende dieren gehouden zoals katten, honden, kippen, konijnen en vogels. Het konijn volgde mijn moeder door de tuin en de kat liep mee naar de kerk, wanneer ze dagelijks naar de kerk ging. De kerk was ongeveer twee straten verwijderd van ons huis .

Aan het eind van de tuin was een sloot. Over de sloot lag een plank waarmee je in de weilanden achter het huis kwam. Mijn broertje Willy, vijf jaar oud, viel van de plank in de sloot. Ik kon hem nog net met het hoofd boven water houden tot dat mijn vader kwam om hem er uit te trekken. 

Het nieuwe huis was niet zo groot als het oude, er was nog geen centrale verwarming en er was nog geen badkamer. De wekelijkse wasbeurt werd gedaan in de tobbe. In de huiskamer was een moederhaard die een gedeelte van het huis verwarmde met behulp van steenkool of turf. Op dat moment was het gewoon dat er in de slaapkamers een waskom e.d. stond. Kelders waren vrij ongebruikelijk in Nederland. Wij hadden een kleine bergruimte. Vanuit mijn slaapkamer kon ik over de weilanden met de grazende koeien kijken. Tegen de tijd dat mijn vader met vervroegd pensioen ging bouwde hij een garage naast het huis en kocht een auto, een Willy Overland.

© Copyright 2019 Erik Jansen - All Rights Reserved